EVERT DE NIET

De landing van erfprins Willem (30 nov. 1813)

Het was zacht voor de tijd van het jaar. Er was nauwelijks wind en de zee lag er rustig bij. De lucht was heiig en vanaf het strand van Scheveningen was de horizon moeilijk te onderscheiden. Enkele heren in burger en uniform stonden al sinds de vroege morgen met verrekijkers te turen naar de grijze massa van hemel en water. Hun lange wachten werd beloond toen er even na vieren plots aan de horizon twee fregatten verschenen. Beide schepen voerden in top een oranje wimpel en vuurden in het zicht van de kust enkele salvo’s af. Met het gebulder sloeg bij de heren op het strand de verwachting om in blijdschap. Als kleine jongens bij de aankomst van Sinterklaas riepen ze tegen elkaar: ’Hij komt! Hij komt! Hij komt!’ Ballingschap Het was niet de goedheiligman uit Spanje, maar prins Willem Frederik van Oranje die voor deze blijdschap zorgde. Willem Frederik, oudste zoon van de gevluchte stadhouder Willem v, had tot dit ogenblik in ballingschap in Engeland en Duitsland geleefd. Op 21 november 1813 had hij in Londen bezoek gekregen van Jacob Fagel en Willem Karel de Perponcher, twee Oranjegezinde officieren. Fagel en De Perponcher hadden de prins een brief overhandigd met daarin de uitnodiging om naar zijn vaderland terug te keren en als ’Soeverein vorst’ de ’Hooge regeering’ op zich te nemen. De brief was ondertekend door de Haagse heren Gijsbert Karel van Hogendorp, Adam François van der Duijn van Maasdam en Leopold van Limburg Stirum. Dit driemanschap had, nadat de Franse autoriteiten te kennen hadden gegeven de bezetting niet langer te willen handhaven, namens de prins in Den Haag een voorlopig bestuur ingesteld. Willem Frederik was ’hoogst gelukkig’ met dit kordate handelen en schreef nog dezelfde dag aan Van Hogendorp: ’Ik hoop binnen weinige dagen te volgen en ik gevoel een groot ongeduld om mij weer te vereenigen met mijn landgenooten na negentien jaren die ik er van gescheiden ben geweest.’ De mooiste dag van Jacob Pronk Een van de heren op het strand, Jacob Pronk, was in de week voor de komst van de prins tot provisioneel commissaris benoemd. In deze hoedanigheid had hij, zoals Van Limburg Stirum schreef, ’Scheveningen in ’t Oranje’ gezet. In januari 1795 had dezelfde Pronk ’met tranen in de ogen’ de stadhouderlijke familie bij hun vlucht geassisteerd. De laatste woorden van Willem v op vaderlandse bodem - ’Zoo ik mijn vaderland weder betreed, zal ik aan U gedenken’ - waren in zijn geheugen gegrift en het strand van Scheveningen was in de jaren daarna, waarin Nederland revolutie en bezetting kende, voor hem een plaats van verdriet geworden. Met het verschijnen van de twee Engelse fregatten aan de horizon leek het moment van de hereniging eindelijk daar. Engelse matrozen met korte grijze pruiken en hoge zwarte hoeden op roeiden de prins naar het strand. Pronk vreesde dat Willem Frederik bij het aan land gaan natte voeten zou halen en gaf de voerman Dirk van Duijne de opdracht met zijn boerenwagen de branding in te rijden zodat de prins kon overstappen. De barkas kwam langszij en Willem Frederik ging op de bok naast Van Duijne zitten, terwijl De Perponcher en de Engelse ambassadeur Clancarty achter op de wagen plaatsnamen. Van Duijne spoorde hierop de paarden aan het strand op te rijden. De prins zwaaide ondertussen naar links en naar rechts. Er hadden zich zo’n honderd belangstellenden verzameld, van wie sommigen zo blij waren Willem Frederik te zien dat ze het water in liepen en hem probeerden aan te raken door op de wagen te klimmen. Als provisioneel commissaris van Scheveningen nam Pronk de rol van ordebewaker op zich. Nadat hij zijn zoon Arie de opdracht had gegeven zo snel mogelijk het driemanschap op de hoogte te brengen van de gebeurtenissen in Scheveningen, leidde hij de prins en zijn gevolg van het strand naar de hervormde pastorie in de Keizerstraat. Hier kon Willem Frederik even op adem komen, terwijl Pronk een rijtuig met gevolg regelde om hem naar Den Haag te brengen. Proclamatie van soeverein vorst Willem na zijn landing in Scheveningen, 1813. Bron Deze informatie is gebaseerd op het boek Plaatsen van herinnering. Nederland in de twintigste eeuw onder redactie van prof. dr. H.W. van den Doel (Amsterdam 2005). In dit boek is meer informatie over deze gebeurtenis te vinden. Het oorspronkelijke artikel is geschreven door Jeroen van Zanten.

© 2017 Evert de Niet